Sam had de boot helemaal naar de andere kant van het meer gevaren en weer terug. Ze hadden twee kleine campings gevonden, maar nog niet grondig doorzocht. Een tiental grote campers, een paar haveloze tenten in verschillende stadia van instorting. Ze zouden er ongetwijfeld ook nog kampeervoedsel, frisdrank, bier en koffie vinden – alle dingen die mensen meenamen als ze gingen kamperen.
En er zat benzine in een aantal tanks. Heerlijke, heerlijke benzine.
Hij zat al te bedenken hoe ze het moesten aanpakken. Ze zouden de campers naar de jachthaven moeten rijden en in een slordige kring kunnen zetten, of misschien in een kring met daaromheen een grotere. Ze zouden een paar echt goede septische tanks moeten graven, ver uit de buurt van het meer, zodat er niets het drinkwater in kon lopen.
Ze zouden de benzine heel, heel zorgvuldig moeten rantsoeneren en bewaren om de oogst van de velden en de vissen uit de zee mee te vervoeren. Ze zouden nog steeds Quinns gestage aanvoer van blauwe vleermuizen nodig hebben om de pieren tevreden te houden. Bovendien moesten ze oppassen dat ze het meer niet leegvisten.
Geen domme fouten meer. Dit keer zouden ze het goed moeten doen.
Dat was een klus voor Albert, moest Sam toegeven. Albert zou ongetwijfeld nog rijker worden, maar hij was de enige met genoeg organisatietalent om het te kunnen doen.
Ja, het zou lukken. Ze zouden het opbouwen en organiseren en dit keer zouden ze het goed doen.
Hijzelf zou een manier moeten verzinnen om de vliegende groenerds uit te roeien. Maar met Jacks kracht en Dekka’s gave en misschien wat hulp van Brianna – die waarschijnlijk door een zwerm groenerds zou kunnen rennen zonder geraakt te worden – konden ze die grot vast wel afsluiten en wat er overbleef verpletteren of verbranden of zoiets.
Ze waren op de weg terug naar de jachthaven en tuften rustig voort, namen de tijd. Het was al laat in de middag en Sam vroeg zich af of ze moesten proberen om een van de voertuigen in de jachthaven aan de praat te krijgen en die avond nog terug te rijden, of alles wat beter te plannen en de volgende ochtend te vertrekken.
Het laatste waar ze op zaten te wachten waren driehonderd kinderen die er en masse vandoor zouden gaan in een wilde zoektocht naar zoetigheden. De helft zou verdwalen in de woestijn of de heuvels en door de coyotes verorberd worden.
Het nieuws moest op de juiste manier gebracht worden. Edilio en de rest van de raad zouden het een beetje moeten plannen.
Tegen Dekka zei hij: ‘Ik denk dat we al het water dat we kunnen dragen in een suv moeten zetten en vanavond terug moeten rijden.’
‘Je bent je er toch wel van bewust dat er geen rechtstreekse weg terug is, hè?’
‘Volgens de kaart staat de muur over de weg die het meer volgt en een bocht naar boven maakt. Toch? Maar er moet dan toch ook een weg naar beneden zijn, door Stefano Rey heen tot aan de snelweg?’
Dekka haalde haar schouders op. Ze zat ergens anders met haar gedachten.
Hij kon het haar niet kwalijk nemen. Maar hij had zichzelf ervan overtuigd dat ze zich zorgen maakte om niets.
Hij ging zichzelf heel even te buiten aan een dagdroom. Ze zouden als helden onthaald worden als ze de stad in kwamen met water, zelfs al was het niet eens zoveel. Het zou een bijzonder welkom gezicht zijn, een suv vol flessen water. En misschien ook een paar potten Nutella, als ze eerst oostwaarts naar de trein reden voor ze afsloegen naar het zuiden.
Vervolgens een raadsvergadering. Ze konden meteen met het watertransport beginnen. Dat zou iedereen rustig houden terwijl het plan werd uitgewerkt.
‘We gaan over…’ Zijn woorden verstomden toen zijn blik naar de jachthaven ging. ‘Dekka. Jack. Kijk.’
Ze keken.
Beesten, een soort gigantische zilverkleurige kakkerlakken, kakkerlakken zo groot als bestelbusjes, hadden zich op de oever verzameld. Een stuk of tien.
Het moest een illusie zijn. Een truc. Dit kon niet. Het waren net monsters uit een of andere ouderwetse sciencefictionfilm.
Sam pakte de verrekijker die hij in een afgesloten kastje aan boord had gevonden. Hij bracht hem naar zijn ogen en stelde scherp.
‘Het zijn de insecten van Hunter,’ zei hij. Hij kon zijn ontzag niet verbloemen. ‘Maar dan gigantisch groot.’
Hij liet de verrekijker verder glijden en zag opeens een mens boven op een van de beesten staan. Hij kon het gezicht niet goed genoeg zien om te zeggen wie het was. Maar de lange, zwierig zwaaiende tentakel was onmiskenbaar.
Drake. Niet langer opgesloten in zijn keldergevangenis.
Sams paradijs had zijn eigen slang.
Howards eerste opwelling was om naar het ziekenhuisje te gaan en Lana te halen. Maar wat zou Howard daaraan verdienen?
Orc was ergens gek aan het worden, ladderzat, stomdronken, totaal naar de klote. Hij zou wel terugkomen als de drank op was, maar op dit moment was Orc weg en Drakes ontsnapping deed Howards naam geen goed.
Ergens in zijn berekenende achterhoofd vroeg Howard zich af of Orc gewoon besloten had om Maria’s voorbeeld te volgen en zichzelf om zeep te helpen. Hij was nog lang niet in de buurt van zijn fatale vijftiende verjaardag, maar Orc zou een dezer dagen wel eens een ruzie kunnen zoeken die zijn dood zou worden.
Of misschien dronk hij zich wel gewoon dood. En wat dan? Wat had Howard nog als hij Orc niet meer had?
Dieper vanbinnen was hij oprecht bedroefd dat Orc hem misschien in de steek zou laten. Ze waren tenslotte wel vrienden. Amigo’s. Ze hadden alles samen meegemaakt. Orc was niet alleen Howards grootste troef, hij was ook Howards enige vriend.
Howard gaf om Orc. Hij gaf echt om hem. Maar het was wel duidelijk dat Orc niet veel om hem gaf.
Howard nam de tijd voor zijn beslissing en douchte met al zijn kleren aan. Maar uiteindelijk nam hij een besluit en slenterde hij bij de wolk vandaan, kletsnat maar relatief schoon, onopgemerkt door de joelende kinderen.
Het was niet ver naar Alberts huis. De deur stond open en hij had Albert al snel gevonden. De ogen van de jonge zakenman waren dicht. Hij zag er erg dood uit. Heel erg dood.
Hij kwam langzaam dichterbij, alsof Albert plotseling zou opspringen, schreeuwend dat hij een insluiper was. Hij duwde twee vingers tegen Alberts hals. Hij voelde geen hartslag.
Maar hij voelde wel warmte. Het lichaam zou kouder moeten zijn.
Hij ging voor Albert op zijn hurken zitten en duwde met een vinger een ooglid omhoog. De zwarte pupil vernauwde zich.
‘Waaaah!’ zei Howard terwijl hij achteroverviel. ‘Leef je nog, man?’
Geen antwoord. Niets.
Howard was gefrustreerd, want hij had gehoopt dat hij een dealtje zou kunnen sluiten als Albert nog leefde. Als Howard immers Alberts leven redde, dan was het logisch dat Albert Howard daarna het een en ander verschuldigd was.
Howard aarzelde. Hij kon óf niets doen, en dan zou Albert vroeg of laat gegarandeerd honderd procent morsdood zijn. Óf hij kon Lana zoeken. En misschien kreeg hij dan wel een beloning. Albert zat nogal op z’n centen, maar als Howard zoiets belangrijks als zijn leven redde zou hij toch zeker wel…
‘Oké, ik weet niet of je dit hoort, Donald Trump, maar als ik je hachje red, dan sta je wel bij me in het krijt.’ Fronsend besloot hij er nog aan toe te voegen: ‘O ja, het is dus Howard die je hoort, hè. Dus dan sta je bij Howard in het krijt.’
Toen Howard bij het ziekenhuis aankwam, zag hij meteen iets heel verontrustends: Edilio die rillend en mompelend op de stenen traptreden zat, aan zijn lot overgelaten. Hij was gewoon een van de tientallen zieke kinderen in verschillende stadia van de griep. Hoestend, rochelend, huiverend.
Howard had absoluut geen zin om dichterbij te komen.
‘Hé!’ riep Howard de trap op.
Niemand gaf antwoord. Hij trok een grimas, draaide zich om, draaide weer terug, in een dansje van besluiteloosheid. Nu Howard geen idee had wat zijn beloning uiteindelijk zou inhouden, vond hij het lastig om zomaar te besluiten zijn leven op het spel te zetten. Een man moest toch weten wat hij betaald kreeg, nietwaar?
Krrrraaaaacchh!
Een jongen boven aan de trap hoestte plotseling met een kracht die Howard nooit voor mogelijk had gehouden. Het was zo hard dat de jongen naar achteren werd geworpen. Hij kwam met een klap neer en zijn hoofd plofte op het graniet met het geluid van een meloen die op de grond valt.
De jongen rolde door, kwam op handen en knieën terecht en hoestte een golf van bloed over een meisje naast hem.
‘Echt niet,’ zei Howard. ‘Ik peins er niet over.’
De nieuwe jongen, Sanjit, Helikopterjongen, verscheen boven aan de trap. Hij rende naar het hoestende joch toe en pakte hem van achteren bij zijn schouders.
Hij zag Howard staan. ‘Help me even, hij moet die trap af.’
‘Ik raak dat gastje met geen vinger aan,’ zei Howard.
Sanjit keek hem boos aan. Maar toen werd zijn blik zachter, alsof hij het wel begreep.
Sanjit probeerde de jongen weer naar boven te helpen, maar toen begon die opnieuw zo hevig te hoesten dat hij Sanjit van zich af schudde en weer naar achteren viel.
Dit keer rolde hij de hele trap af. Hij kwam voor Howards voeten terecht, waar hij bevend en kreunend bleef liggen. Uit zijn oren, neus en mond stroomde bloed.
Sanjit liep naar beneden en boog zich over hem heen. ‘Ga eens opzij,’ zei Sanjit tegen Howard. ‘Ik moet hem naar de overkant van de straat dragen.’
‘Is hij dood?’
‘Nee, hij is in topvorm,’ snauwde Sanjit. Hij greep de polsen van de jongen vast en begon hem richting het plein te slepen.
‘Zie je Edilio daar zitten?’ vroeg Howard op hoge toon.
‘Ja, ik zie Edilio daar zitten,’ antwoordde Sanjit.
‘Moet je niet…’ Howard maakte een vaag handgebaar.
‘Ja, ik zou een brancard moeten laten komen om hem rechtstreeks naar de intensive care te brengen,’ zei Sanjit vol ingehouden woede. ‘Dan leg ik hem aan de zuurstof en pomp hem vol met antibiotica. Of misschien wacht ik wel gewoon af of hij blijft leven of doodgaat, want dat is zo’n beetje het enige wat ik kan doen. Afgesproken?’
Howard deinsde terug voor de boosheid van de tengere jongen.
‘Ik wilde niet…’ zei hij, en hij volgde op veilige afstand terwijl Sanjit het lichaam van de stoep het asfalt op sleurde.
Halverwege bleef Sanjit staan om naar de lucht te staren.
‘Wat is dat? Is dat een wolk?’
‘O, dat? Ja, het regent. Nog meer freaky gedoe,’ zei Howard.
‘Wat zei je? Regent het? Water, zeg maar?’
‘Ja, water. Ik was ook geschokt,’ zei Howard. ‘Hier in de fakz verwacht je toch eerder dat het vuur of hondenpoep regent of zo.’
‘Choooooo!’ riep Sanjit zo hard hij kon. ‘Choooooo!’
Een paar seconden later kwam zijn mollige Afrikaanse broertje met een paniekerige blik de trap af gerend.
‘Water!’ zei Sanjit.
‘Waar?’ wilde Virtue weten.
Sanjit gebaarde met zijn kin. ‘Ga een emmer halen. Haal alle emmers die je kunt vinden!’
Virtue bleef even met open mond staan en rende toen weg.
Sanjit begon het lijk weer verder te slepen.
‘Hoor eens, gast,’ zei Howard. ‘Ik heb Lana nodig. Weet je wie ik bedoel? De Genezer.’
‘Heb je au?’ gromde Sanjit. ‘Ze is bezig een stel griezels te redden die door Edilio zijn neergeschoten.’
‘Waar?’
‘In Astrids huis. Ik weet niet waar dat is. Ik stel voor dat je me óf komt helpen, óf oprot.’
‘Ik kies voor optie b.’
Astrids huis. Oké. Dat was ergens… zo’n beetje recht onder die wolk.
Kijk eens aan, dacht Howard toen de waarheid tot hem doordrong.
‘Kleine Pete,’ zei hij. ‘Dus het is bekend. Nou, zet je maar schrap, Howard. Zet je schrap.’
Quinn en zijn vissers roeiden naar de kust, veel later dan normaal. Ze hadden een zware dag achter de rug. Na een beroerde nacht in het kamp hadden ze moeite gehad om een van de boten weer in het water te krijgen. Toen ze hem de dag ervoor aan land hadden getrokken, was hij zonder dat ze het merkten op een verborgen rots gelopen. Er zat een grote scheur in de bodem, en dat betekende dat ze uren naar een manier moesten zoeken om het gat te dichten.
Gelukkig was het een houten romp, niet een van metaal of fiberglas, want anders hadden ze hem onmogelijk kunnen repareren zonder terug naar de stad te gaan om gereedschap te halen.
Dat nam niet weg dat ze alleen hun zakmessen hadden om drijfhout in redelijk platte en gladde plankjes te snijden. Toen waren ze erachter gekomen dat ze geen schroeven hadden, dus hadden ze bouten uit andere boten moeten halen en een gat in het nieuwe stuk hout en de romp gemaakt om de nieuwe stukken hout met de bouten vast te schroeven. Ze hadden verf weggeschraapt en gesmolten om de randen dicht te kitten.
Toen ze klaar waren, was de boot weer verbazingwekkend zeewaardig. Ze waren allemaal behoorlijk ingenomen geweest met hun werk, maar vervolgens moesten ze alsnog een hele dag vissen.
Later op de dag was het altijd zwaarder. Als de zon de bovenlaag van het zeewater verwarmde, zwom een deel van de vangst waar ze altijd op konden rekenen dieper naar beneden of hield op met jagen.
Dus dit keer geen grappen, gelach of liedjes die hen tijdens het roeien naar huis anders zo vaak begeleidden.
‘Ze hebben de vangst van gisteren nog niet eens opgehaald!’ riep Quinn toen ze dichtbij genoeg waren om het te kunnen zien.
En inderdaad, het grootste deel van de vis, die ze gisteren met zo veel pijn en moeite aan land hadden gebracht, lag nog steeds op de steiger te rotten in de hitte.
Deze ontdekking zorgde voor een serie boze vloeken uit de boten, gevolgd door een knagende ongerustheid. Niemand kon zich voorstellen dat Albert zoiets zou laten gebeuren.
‘Er is iets helemaal mis,’ zei Quinn. ‘Nog erger dan wij wisten, bedoel ik.’
Ze waren nog tweehonderd meter bij de haven vandaan toen Quinn een streep zag die vaste vorm aannam en in Brianna veranderde. Aan het eind van de steiger bleef ze staan.
Ze had iets in haar hand.
‘Blijven jullie maar hier,’ riep Quinn naar de andere boten. ‘Wij gaan naar de haven om te zien wat er aan de hand is.’
Quinns boot raakte de steiger en hij gooide een lus om een van de bolders.
‘Dat werd tijd ook,’ zei Brianna.
‘Sorry hoor, maar we hadden het nogal druk,’ snauwde Quinn. ‘En ik wist niet dat er een rooster was waar ik me aan moest houden.’
‘Ik vind het niet fijn wat ik nu moet doen,’ zei Brianna. Ze gaf Quinn het briefje.
Hij las het. Las het nog een keer.
‘Is dit een grap of zo?’ wilde hij weten.
‘Albert is dood,’ zei Brianna. ‘Vermoord.’
‘Hè?’
‘Hij is dood. Sam en Dekka zitten ergens in de rimboe. Edilio heeft griep en gaat misschien wel dood – heel veel kinderen hebben griep. Heel veel. En dan zijn er nog die… die monsters, een soort insecten – niemand weet hoe we ze moeten noemen –, op weg naar de stad.’ Haar gezicht trok samen in een mengeling van woede, verdriet en angst. ‘En ik kan ze niet tegenhouden!’ gooide ze eruit.
Quinn staarde naar haar. Toen staarde hij weer naar het briefje.
Hij voelde hoe zijn fijne kleine wereldje kantelde en weg begon te glijden.
Er stonden slechts twee woorden op het papiertje: Haal Caine.